ECLI:NL:CRVB:2018:1473
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstand en huurschuld
Verzoeker ontving bijstand sinds 2013, die het college van burgemeester en wethouders van Den Haag introk vanwege vermoedens van fraude en schending van de inlichtingenplicht. Het college vorderde terugbetaling van bijstandskosten en verhoogde dit bedrag met belastingen en premies. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening vanwege een dreigende ontruiming van zijn woning en betalingsachterstanden.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de huurschuld niet was ontstaan door de ingetrokken bijstand, maar voortkwam uit een langdurig huurgeschil over een huurverhoging. Ook was er geen bewijs van een dreigende afsluiting van gas- en elektriciteit. Het college had inmiddels bijstand toegekend in de vorm van een lening en een nabetaling gedaan. Verzoeker beschikte weer over inkomen en had rechtsmiddelen om de erfenisverdeling te bespoedigen.
Gezien deze omstandigheden ontbrak het aan een actueel spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.