ECLI:NL:CRVB:2018:1401
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid als huismeester
Appellant was werkzaam als huismeester tot 3 juni 2013 en meldde zich op 10 november 2014 ziek met rugklachten. Op 17 maart 2015 werd appellant door een verzekeringsarts onderzocht en geschikt bevonden voor zijn laatst verrichte arbeid. Het UWV stelde daarop dat appellant per 18 maart 2015 geen recht meer had op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en verzocht herziening op basis van een diagnose carpaal tunnel syndroom (CTS) door een neuroloog, maar dit werd door het UWV en de rechtbank afgewezen.
In hoger beroep stelde appellant dat de brief van 30 mei 2015 als beroepschrift had moeten worden behandeld en dat de CTS-diagnose een nieuwe medische omstandigheid vormde die zijn arbeidsongeschiktheid bevestigde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische gegevens op 18 maart 2015 geen beperkingen aantoonden die het werk als huismeester onmogelijk maakten.
De Raad stelde vast dat de CTS-diagnose en de daaropvolgende behandeling pas na de relevante datum plaatsvonden en dat de klachten op 18 maart 2015 nog niet arbeidsbelemmerend waren. Het hoger beroep faalde omdat appellant geen nieuwe medische feiten of omstandigheden had aangedragen die het standpunt van het UWV konden weerleggen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht meer op ziekengeld vanaf 18 maart 2015 omdat hij geschikt wordt geacht voor zijn laatst verrichte arbeid.