ECLI:NL:CRVB:2018:1395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van beperkingen en recht op Ziektewetuitkering na medische herbeoordeling
Appellant, werkzaam als kok, meldde zich ziek en ontving aanvankelijk een uitkering op grond van de Wet WIA en later de Ziektewet. Het UWV stelde vast dat appellant met bepaalde functies meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loon kon verdienen en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij verzekeringsartsen de beperkingen beoordeelden en concludeerden dat de functies passend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de beperkingen niet waren onderschat en dat er geen aanleiding was voor het benoemen van een deskundige. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn schouder- en armklachten niet waren meegewogen en dat hij vanwege financiële beperkingen geen eigen deskundige kon inschakelen, waardoor sprake zou zijn van een oneerlijk proces.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde de zorgvuldigheid van het onderzoek door verzekeringsartsen, de mogelijkheid voor appellant om medische stukken in te dienen en de inhoudelijke beoordeling van de beperkingen. De Raad concludeerde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt te onderbouwen, dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat er geen reden was voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.