ECLI:NL:CRVB:2018:1385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld na eerstejaars Ziektewetbeoordeling wegens onvoldoende beperkingen
Appellante, laatstelijk werkzaam als receptioniste/telefoniste, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV stelde na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar ziekengeld. Appellante maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij psychisch en lichamelijk verder beperkt was dan vastgesteld, met burn-out klachten, ernstige depressie en gegeneraliseerde angststoornis. Zij overlegde echter geen nieuwe medische stukken ter onderbouwing. Het UWV handhaafde het besluit.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook de psychische klachten en schouderklachten waren betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beperkingen inzichtelijk gemotiveerd en aangepast waar nodig. Nieuwe medische informatie uit het dossier gaf geen aanleiding tot wijziging.
Omdat appellante geen aanvullende medische stukken overlegde, kon haar stelling dat zij verder beperkt was niet worden bevestigd. De Raad volgde de rechtbank en bevestigde het besluit van het UWV dat appellante geen recht meer had op ziekengeld vanaf 23 juni 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.