ECLI:NL:CRVB:2018:1300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WAO-uitkering wegens bereiken pensioengerechtigde leeftijd zonder bijzonder geval
Appellant, geboren in 1946, was als betonwerker werkzaam en meldde zich in 1976 arbeidsongeschikt bij het UWV. Na eerdere afwijzingen en een eerdere ongegrondverklaring van beroep, vroeg appellant in 2013 een WAO-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvraag af omdat appellant op dat moment de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt en er geen sprake was van een bijzonder geval.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat de uitkering niet met terugwerkende kracht kon worden toegekend en appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij sinds 1976 arbeidsongeschikt was en overhandigde aanvullende stukken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze nieuwe stukken geen aanleiding geven om van het eerdere oordeel af te wijken. Er is geen bewijs dat appellant redelijkerwijs niet eerder kon aanvragen, noch dat sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WAO-uitkering wordt afgewezen omdat appellant op de datum van aanvraag de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt en geen bijzonder geval is vastgesteld.