Appellant, een zelfstandige machinebankwerker, viel sinds 2005 uit wegens knie- en rugklachten en ontving tot 2009 een WIA-uitkering. Na herbeoordeling in 2013 stelde het UWV dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en kreeg bij een besluit in 2014 een WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan volledig arbeidsongeschikt te zijn vanwege structurele beperkingen aan wervelkolom en heupen, een instabiele sta- en zitfunctie, en tinnitusklachten. Hij bracht medische rapporten in, waaronder van een verzekeringsarts en een GZ-psycholoog. Een deskundige benoemd door de Raad achtte de beperkingen zoals door het UWV aangenomen niet onjuist, maar voegde beperkingen toe op het gebied van conflicthantering en complexe verbale communicatie.
Het UWV voerde aan dat de geselecteerde voorbeeldfuncties nog steeds passend waren, ook met de aanvullende beperkingen. De Raad volgde dit oordeel en concludeerde dat appellant in staat is de functies te vervullen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De Raad constateerde dat het bestreden besluit aanvankelijk niet deugdelijk was gemotiveerd, maar dat dit niet leidde tot benadeling van appellant. Het bestreden besluit werd daarom in stand gelaten en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.