Uitspraak
16.4821 PW, 16/6952 PW
OVERWEGINGEN
De periode van 6 juli 2015 tot 28 augustus 2015
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende meerdere aanvragen om bijstand in, waarbij zij verschillende woonadressen opgaf. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde de bijstand omdat appellante onjuiste en onvolledige gegevens verstrekte over haar woonsituatie, waardoor niet kon worden vastgesteld of zij bijstandbehoevend was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, stellende dat uit huisbezoeken en verklaringen bleek dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Bovendien had zij haar inlichtingenplicht geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel op het opgegeven adres woonde en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante geen nieuwe gronden aanvoerde die de eerdere gemotiveerde oordelen van de rechtbank weerlegden.
Daarom bevestigde de Raad de aangevallen uitspraken en wees de hoger beroepen af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het hoofdverblijf en schending van de inlichtingenplicht.