ECLI:NL:CRVB:2018:1138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende duidelijkheid financiële situatie
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, maar deze werd ingetrokken wegens niet verschijnen op oproepen. In april 2016 vroeg appellant opnieuw bijstand aan op grond van de Participatiewet. Het college onderzocht zijn financiële situatie en concludeerde dat appellant onvoldoende controleerbare stukken overlegde waaruit bleek hoe hij sinds maart 2014 in zijn levensonderhoud voorzag.
Appellant stelde dat hij leefde van leningen en giften van zijn (ex-)vriendin en inkomsten uit kleine klusjes. Ter onderbouwing overhandigde hij verklaringen en een geldleningsovereenkomst, maar deze waren niet controleerbaar of hadden geen betrekking op de relevante periode. Het college wees de aanvraag af omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij in de periode van intrekking tot aanvraag in zijn levensonderhoud voorzag, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie van appellant.