Uitspraak
17.766 PW, 17/767 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
van in totaal € 216,- vergoedt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig werknemer, ontving een ontslagvergoeding die zij onderbracht in een stamrecht BV waarvan zij enig aandeelhouder en bestuurder is. Na afloop van haar WW-uitkering vroeg zij een IOAW-uitkering aan, die werd afgewezen omdat zij niet meer dan drie maanden WW-recht had. Vervolgens werd haar aanvraag voor bijstand op grond van de Participatiewet geweigerd vanwege haar vermogen, waaronder het vermogen in de stamrecht BV.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht niet anticipeerde op de Wet vrijlating lijfrenteopbouw, die pas na de aanvraagdata in werking trad, en dat het vermogen in de stamrecht BV niet gelijkgesteld kon worden met een lijfrente. In hoger beroep stelde appellante dat het college het vermogen in de stamrecht BV niet had moeten meetellen, omdat dit een oudedagsvoorziening betreft die niet vrijelijk beschikbaar is zonder fiscaal nadeel.
De Raad oordeelde dat het college niet verplicht was te anticiperen op de wetswijziging en dat de stamrechtovereenkomst geen beperking bevatte die het vermogen uitsluitend voor pensioenbestemming reserveert. Appellante kon dus redelijkerwijs over het vermogen beschikken. Motiveringsgebreken in de besluiten werden geacht niet tot benadeling te leiden. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de IOAW- en bijstandsaanvragen wordt bevestigd vanwege onvoldoende WW-periode en vermogen in stamrecht BV.