Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
3 mei 2016;
in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 10 december 2015 en 3 mei 2016;
vermeld onder 6;
€ 92,- vergoedt;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Verzoekster ontving bijstand volgens de norm voor een alleenstaande. Het college verlaagde haar bijstand op grond van de kostendelersnorm, omdat zij samen met haar halfbroer een gezamenlijke huishouding zou voeren. Na melding van vertrek van de halfbroer startte het college een onderzoek en besloot de bijstand te beëindigen en in te trekken, met als grondslag dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde de beroepen van verzoekster ongegrond, maar in hoger beroep stelde verzoekster dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met haar zorgbehoefte, waardoor zij niet als gehuwd kon worden aangemerkt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college voorafgaand aan de besluiten geen onderzoek had gedaan naar het voortduren van de zorgbehoefte, terwijl deze zorgbehoefte volgens eerdere besluiten wel was vastgesteld.
Omdat het college de besluiten uitsluitend baseerde op het bestaan van een gezamenlijke huishouding zonder zorgbehoefteonderzoek, ontbrak een toereikende grondslag en waren de besluiten onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De voorzieningenrechter vernietigde de bestreden besluiten en herroept de intrekkings- en beëindigingsbesluiten, waardoor verzoekster haar recht op bijstand behoudt over de gehele periode. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, maar het college werd veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: De bijstand van verzoekster werd hersteld omdat het college geen onderzoek deed naar haar zorgbehoefte, waardoor de beëindiging onterecht was.