ECLI:NL:CRVB:2018:1074

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2018
Publicatiedatum
12 april 2018
Zaaknummer
17/5555 WW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig indienen hogerberoepschrift in WW-uitkering

Appellante heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland hoger beroep ingesteld, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken was ingediend. Vervolgens heeft appellante verzet aangetekend tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting op 1 maart 2018, waar partijen niet verschenen, heeft de Raad het verzet behandeld. Appellante voerde aan dat zij vanwege haar inkomenssituatie geen juridische hulp kon inschakelen en dat het om een termijnoverschrijding van slechts één dag ging, mede veroorzaakt door slechte postbezorging. Tevens stelde zij dat de rechtbank de uitspraaktermijn twee keer had mogen verlengen.

De Raad oordeelde dat de beroepstermijn van zes weken een fatale termijn is en dat de verlengingen door de rechtbank slechts termijnen van orde betreffen. Het risico van tijdige verzending ligt bij de verzender, en appellante heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het verzuim rechtvaardigen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet van appellante wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige indiening van het hogerberoepschrift.

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 april 2018
17/5555 WW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juni 2017, 16/5394 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 11 oktober 2017 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 1 maart 2018, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 11 oktober 2017 berust op de overwegingen dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In artikel 6:7 van Pro de Awb in samenhang met de artikelen 6:8, 6:9 en 6:24 van de Awb is het volgende bepaald ten aanzien van de beroepstermijn voor het indienen van hoger beroep.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Hierbij wordt de poststempel als uitgangspunt genomen voor de datum van ter postbezorging.
De aangevallen uitspraak is op 27 juni 2017 in afschrift aan partijen verzonden. De termijn voor het instellen van hoger beroep ving dus aan op 28 juni 2017, de dag na bekendmaking. De laatste dag dat het hogerberoepschrift kon worden ingediend was op 8 augustus 2017, zes weken na bekendmaking van de uitspraak. Het hogerberoepschrift is op 10 augustus 2017 ontvangen. Het is, gezien de poststempel op de enveloppe, op 9 augustus 2017 ter post bezorgd.
In verzet heeft appellante te kennen gegeven dat zij geen juridische hulp kon inschakelen in verband met haar inkomenssituatie. Appellante geeft te kennen dat het om een termijnoverschrijding van slechts één dag gaat, daarbij wijst zij op de slechte postbezorging van PostNL. Ook voert appellante aan dat de rechtbank de uitspraaktermijn wel twee keer mag verlengen.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellante niet verzuim is geweest. De in artikel 6:7 van Pro de Awb genoemde beroepstermijn dient te worden aangemerkt als een fatale termijn. De termijn die de rechtbank heeft verlengd dient te worden aangemerkt als een termijn van orde. Appellante heeft het risico genomen door aan het einde van de
- fatale - beroepstermijn het hogerberoepschrift per post te verzenden. Volgens vaste jurisprudentie komt dit voor rekening van de verzender.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

IJ