ECLI:NL:CRVB:2017:995

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2017
Publicatiedatum
13 maart 2017
Zaaknummer
15-4388 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen niet tijdig beslissen op bijstandsaanvraag onredelijk laat

Appellant heeft in 2012 twee keer bijstand aangevraagd, maar de aanvragen werden ingetrokken of bevestigd als ingetrokken door het college. Pas in 2014 maakte appellant bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op deze aanvragen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.

De Raad overweegt dat bezwaar tegen niet tijdig beslissen niet aan een termijn is gebonden, maar onredelijk laat ingediende bezwaren niet-ontvankelijk zijn. Appellant wist al in 2012 dat het college niet zou beslissen, maar maakte pas na ongeveer twee jaar bezwaar zonder geldige reden.

Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de bijstandsaanvragen is onredelijk laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

15/4388 WWB
Datum uitspraak: 7 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
19 mei 2015, 15/696 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Namens appellant is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Veen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 28 maart 2012 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand. In dat kader heeft op 10 april 2012 een gesprek tussen een bijstandsconsulent en appellant plaatsgevonden. Bij brief van 16 april 2012 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 24 april 2012. Omdat appellant inmiddels werk had gevonden, heeft hij zich voor die afspraak afgemeld. Uit nader telefonisch contact met appellant in het kader van de verdere afhandeling van de aanvraag heeft de bijstandsconsulent opgemaakt dat appellant zijn aanvraag wilde intrekken. Deze intrekking heeft het college bij brief van 24 april 2012 aan appellant bevestigd.
1.2.
Op 8 mei 2012 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. In dat kader heeft op
21 mei 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen een bijstandsconsulent en appellant. Naar aanleiding van dit gesprek heeft appellant de aanvraag ingetrokken door middel van een op
21 mei 2012 ondertekend ‘intrekkingsformulier aanvraag’. Deze intrekking heeft het college bij brief van 22 mei 2012 aan appellant bevestigd.
1.3.
Namens appellant is bij brief van 1 mei 2014 bezwaar gemaakt tegen de brieven van
24 april 2012 en 22 mei 2012. Bij besluit van 30 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat hij de aanvragen om bijstand van 28 maart 2012 en 8 mei 2012 alleen wilde intrekken indien duidelijk was dat hij geen recht op bijstand zou hebben. Het college heeft appellant die duidelijkheid evenwel niet kunnen geven, zodat ook geen sprake is van ingetrokken aanvragen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd toegelicht dat het hoger beroep zich richt tegen het oordeel van de rechtbank over het bezwaar tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvragen om bijstand van 28 maart 2012 en 8 mei 2012.
4.2.
Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bezwaar dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking niet aan een termijn gebonden. Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het bezwaar niet-ontvankelijk indien het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend.
4.3.
De Raad zal de vraag of de betreffende aanvragen zijn ingetrokken, onbesproken laten, gelet op het volgende. Zelfs als ervan moet worden uitgegaan dat de aanvragen niet zijn ingetrokken, zijn de bezwaren tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de aanvragen van 28 maart 2012 en 8 mei 2012 in dit geval onredelijk laat ingediend. Appellant wist ten tijde van de brieven van 24 april 2012 en 22 mei 2012 dat het college niet van plan was om te beslissen op de aanvragen van 28 maart 2012 onderscheidenlijk 8 mei 2012. Appellant heeft vervolgens niet eerder dan bij brief van 1 mei 2014 bezwaar gemaakt. Namens appellant is, hiernaar ter zitting gevraagd, geen andere reden voor de vertraging van (ongeveer) twee jaar gegeven dan dat appellant niet wist wat hij moest doen. Dit betekent dat het college het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvragen van 28 maart 2012 en 8 mei 2012 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe van appellant zal daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) A. Mansourova

RH