Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-.
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen een pensioenoverzicht waarin zijn AOW-leeftijd was verhoogd door toepassing van artikel 7a van de AOW, wat leidde tot een zogenaamd AOW-gat van 21 maanden en financiële schade. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. De rechtbank wees het beroep van appellant af. In hoger beroep stelde appellant dat het pensioenoverzicht als geheel een besluit met rechtsgevolg is en dat de wetswijziging een schending van zijn eigendomsrecht volgens artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM inhoudt.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat de vermelding van de toekomstige AOW-leeftijd in een pensioenoverzicht slechts informatief is en geen besluit vormt waartegen rechtsmiddelen openstaan. De Raad oordeelde dat de verschuiving van de AOW-leeftijd door artikel 7a een inmenging in eigendomsrechten inhoudt, maar deze inmenging in het algemeen proportioneel is en niet leidt tot een schending van het EVRM. Een onevenredig zware last kan alleen bij de daadwerkelijke toekenning van het AOW-pensioen worden beoordeeld.
De Raad concludeert dat appellant nog niet kan aantonen dat hij een onevenredig zware last draagt en bevestigt het bestreden vonnis. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van appellant wegens het niet slagen van het incidenteel hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; de Svb wordt veroordeeld in de proceskosten.