ECLI:NL:CRVB:2017:962

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2017
Publicatiedatum
9 maart 2017
Zaaknummer
16/5510 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:74 AwbArt. 8:91 AwbArt. 8:94 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing vergoeding griffierecht bij overschrijding redelijke termijn

Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de korpschef tot toekenning van een LFNP-functie en was in eerste aanleg in het ongelijk gesteld. De rechtbank kende appellante een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

In hoger beroep betoogde appellante dat zij het betaalde griffierecht vergoed moest krijgen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 8:94, tweede lid, Awb bij een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn geen griffierecht verschuldigd is, zodat vergoeding van het betaalde griffierecht niet aan de orde is.

De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter C.H. Bangma op 9 maart 2017.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen recht bestaat op vergoeding van het betaalde griffierecht bij een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

16/5510 AW
Datum uitspraak: 9 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2016, 14/3521 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellante besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie], gewaardeerd in salarisschaal 8. Bij besluit van 30 april 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellante tot een bedrag van € 500,-, wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
3. De Raad komt naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep volstaan met het betoog dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om, met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat het betaalde griffierecht aan appellante diende te worden vergoed.
3.2.
Anders dan appellante heeft betoogd bestaat geen recht op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht. Appellante heeft ter zitting van de rechtbank een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. Op dit verzoek is de op 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 van de Awb van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 8:94, tweede lid, van de Awb is bij indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 8:91, eerste lid, van de Awb, zoals hier aan de orde, geen griffierecht verschuldigd. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102.
3.3.
Uit wat onder 3.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2017.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) P.W.J. Hospel

HD