Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2017.
Centrale Raad van Beroep
De appellant, vertegenwoordigd door mr. Van Vlokhoven en mr. Kets, betwistte de terugvordering van een te veel ontvangen AOW-toeslag over de jaren 2006 tot en met 2011. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had de appellant geïnformeerd over de terugvordering via brieven van 22 juli 2013, waarin tevens een bezwaarclausule was opgenomen. Appellant stelde dat de brieven niet als besluiten konden worden aangemerkt en dat de termijnoverschrijding voor het indienen van bezwaar verschoonbaar was.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift na de termijn was ingediend en de brieven van 22 juli 2013 wel degelijk besluiten waren. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de brieven duidelijk rechtsgevolg beoogden en daarom besluiten zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De termijn voor bezwaar liep af op 2 september 2013, maar het bezwaarschrift werd pas op 12 september 2013 ingediend, na het verstrijken van deze termijn.
De Raad vond geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding, mede omdat appellant en zijn gemachtigde onvoldoende maatregelen hadden getroffen om de post tijdens vakantie te verwerken. Ook was de Svb zorgvuldig geweest in haar informatieverstrekking. De inhoudelijke bezwaren tegen de terugvordering werden niet gegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot terugvordering van AOW-toeslag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen binnen de wettelijke termijn.