Uitspraak
24 december 2015, 15/2580 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 1992 werkzaam bij Rijkswaterstaat en ontving daarnaast een WAO-uitkering. Op 4 februari 2014 sloten appellante en de minister een vaststellingsovereenkomst waarin het dienstverband met ingang van 1 april 2014 werd beëindigd met toepassing van artikel 99 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). In deze overeenkomst werden afspraken gemaakt over een Individueel Naastwettelijke Regeling (INR) en finale kwijting.
De minister verleende op 21 februari 2014 eervol ontslag aan appellante en stelde een uitkering via Loyalis in, gelijk aan het totaal van WW en bovenwettelijke uitkeringen. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst een nadere regeling vormt van de ontslagbevoegdheid van de minister en dat partijen hieraan gebonden zijn op grond van het rechtszekerheidsbeginsel. Appellante kon niet aannemelijk maken dat zij onder druk was gezet of niet in staat was haar wil te bepalen. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die nakoming van de afspraken in redelijkheid onmogelijk maken. De stelling dat toezeggingen niet werden nagekomen werd verworpen omdat deze niet uit de overeenkomst blijken.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Daarmee is het eervol ontslag en de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig en bindend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het eervol ontslag bevestigd.