ECLI:NL:CRVB:2017:9

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2017
Publicatiedatum
5 januari 2017
Zaaknummer
16/918 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 99 ARARWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringWet werk en zekerheidBesluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging eervol ontslag na vaststellingsovereenkomst ambtelijk dienstverband

Appellante was sinds 1992 werkzaam bij Rijkswaterstaat en ontving daarnaast een WAO-uitkering. Op 4 februari 2014 sloten appellante en de minister een vaststellingsovereenkomst waarin het dienstverband met ingang van 1 april 2014 werd beëindigd met toepassing van artikel 99 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). In deze overeenkomst werden afspraken gemaakt over een Individueel Naastwettelijke Regeling (INR) en finale kwijting.

De minister verleende op 21 februari 2014 eervol ontslag aan appellante en stelde een uitkering via Loyalis in, gelijk aan het totaal van WW en bovenwettelijke uitkeringen. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst een nadere regeling vormt van de ontslagbevoegdheid van de minister en dat partijen hieraan gebonden zijn op grond van het rechtszekerheidsbeginsel. Appellante kon niet aannemelijk maken dat zij onder druk was gezet of niet in staat was haar wil te bepalen. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die nakoming van de afspraken in redelijkheid onmogelijk maken. De stelling dat toezeggingen niet werden nagekomen werd verworpen omdat deze niet uit de overeenkomst blijken.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Daarmee is het eervol ontslag en de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig en bindend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het eervol ontslag bevestigd.

Uitspraak

16/918 AW
Datum uitspraak: 5 januari 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
24 december 2015, 15/2580 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G. Hagens, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door
mr. R.C. Zielhorst, C.E.M.P. Smits en ing. J.J. Faassen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was sinds 1992 werkzaam bij Rijkswaterstaat, laatstelijk als projectondersteuner. Daarnaast ontving zij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
1.2.
Op 4 februari 2014 hebben appellante en de minister (partijen) een vaststellingsovereenkomst (overeenkomst) gesloten.
1.3.
In artikel 1 van Pro de overeenkomst is bepaald dat met ingang van 1 april 2014 het dienstverband tussen Rijkswaterstaat en appellante met toepassing van het bepaalde in
artikel 99 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) wordt beëindigd. In artikel 3 van Pro de overeenkomst is onder meer bepaald dat aan appellante vanwege het ontslag een reguliere Individueel Naastwettelijke Regeling (INR) wordt toegekend. In artikel 9 van Pro de overeenkomst is bepaald dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen en dat zij verklaren, behoudens de nakoming van deze overeenkomst, niets meer van elkaar te vorderen te hebben.
1.4.
Bij besluit van 21 februari 2014 heeft de minister aan appellante met ingang van 1 april 2014 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 99 van Pro het ARAR. Daarbij is onder meer bepaald dat een INR wordt getroffen, waarbij per 1 april 2014 door tussenkomst van Loyalis een uitkering wordt verleend. De uitkering zal minimaal gelijk zijn aan het voor appellante geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet (WW) en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (Besluit). Voorts is bepaald dat de verplichtingen van de WW op de uitkering van toepassing zijn.
1.5.
Bij besluit van 27 juli 2015 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft de juistheid van de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In de overeenkomst hebben partijen afspraken neergelegd over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband van appellante. Dergelijke afspraken worden volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812) aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan de minister toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo'n regeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor het bestuursorgaan geldt, maar ook voor de ambtenaar. Dit kan onder meer anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd.
4.2.
Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat zij geen andere keuze had dan de overeenkomst te tekenen en dat zij door de minister onder druk is gezet. Dit betoog slaagt niet. Uit de gedingstukken komt naar voren dat in verband met een reorganisatie de functie van appellante zou komen te vervallen. Naar aanleiding hiervan hebben er meerdere gesprekken met appellante plaatsgevonden over haar toekomst. In deze gesprekken zijn verschillende opties besproken. Ook heeft appellante met toestemming van de werkgever informatie ingewonnen bij het Expertisecentrum Organisatie en Personeel. Verder heeft appellante vooraf een conceptovereenkomst toegestuurd gekregen en werd zij bijgestaan door haar adviseur [D.]. Uit de verklaringen van partijen op de zitting van de rechtbank blijkt dat bij het tekenen van de overeenkomst de vertegenwoordigers van de minister zich eerst nog hebben teruggetrokken, zodat appellante de overeenkomst (nogmaals) kon bespreken met haar adviseur [D.]. [D.] heeft tijdens de zitting van de rechtbank verklaard appellante te hebben geadviseerd het tekenen van de overeenkomst ‘over het weekend heen te tillen’. Appellante heeft zelf echter besloten toch meteen te tekenen. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de minister op appellante ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend om te kiezen voor ontslag. Dat de minister heeft gezegd dat, als appellante zou kiezen voor een Van werk naar werk-traject in verband met reorganisatie, een herkeuring zou moeten plaatsvinden, kan niet worden aangemerkt als het uitoefenen van ongeoorloofde druk. Met de minister is de Raad van oordeel dat de minister hiermee een reële voorstelling van zaken heeft gegeven, gelet op de gezondheidstoestand van appellante die in het kader van de WAO reeds volledig was afgekeurd.
4.3.
Er zijn voorts geen aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat appellante niet in staat was om haar wil te bepalen.
4.4.
De beroepsgrond van appellante dat aan haar toezeggingen zijn gedaan die achteraf niet zijn nagekomen, zoals dat zij met de toe te kennen uitkering in Suriname kon gaan wonen of langere tijd op vakantie kon, wordt niet gevolgd. Geoordeeld wordt dat dit niet blijkt uit de overeenkomst en dat uit de bewoordingen van de overeenkomst evenmin kan worden afgeleid dat appellante zulks redelijkerwijs mocht verwachten. Immers, in de overeenkomst staat dat de verplichtingen van de WW op de uitkering van toepassing zijn.
4.5.
Ten slotte is niet gebleken van andere zodanige bijzondere omstandigheden dat nakoming van de gemaakte afspraken in redelijkheid niet (meer) van appellante kan worden verlangd. De stelling van appellante dat haar slechts de meest minimale voorziening is toegekend, terwijl zij in het kader van het sociaal plan aanspraak kon maken op meer, zoals een Van werk naar werk-traject of een financiële compensatie, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals onder 4.2 is weergegeven zijn met appellante verschillende opties besproken en heeft zij gekozen voor een ontslag door middel van een beëindigingsovereenkomst. Als zij van mening was dat zij recht had op meer of op een andere regeling, dan had het op haar weg gelegen dit in de overeenkomst te laten opnemen of andere afspraken te maken. Bovendien heeft de minister ter zitting onweersproken gesteld dat appellante thans recht heeft op een bovenwettelijke uitkering tot aan haar pensioenleeftijd, terwijl zij bij een reorganisatieontslag voor een minder gunstige regeling in aanmerking was gekomen. Nu van de zijde van de minister de gesloten overeenkomst volledig is nagekomen, kan de enkele stelling van appellante dat zij liever had willen blijven werken, niet leiden tot het oordeel dat vanwege bijzondere omstandigheden nakoming van de overeenkomst niet van haar kan worden gevergd. De minister heeft appellante daarom ontslag kunnen verlenen zoals partijen waren overeengekomen.
4.6.
Het hoger beroep slaagt dan ook niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2017.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) J. Smolders

HD