Uitspraak
OVERWEGINGEN
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college herzag de bijstand over de periode van 15 juni 2013 tot en met 30 september 2014 en vorderde ten onrechte gemaakte kosten terug, met een bruto terugvordering inclusief loonbelasting en premies. De rechtbank oordeelde dat de dochter van betrokkene per 5 oktober 2011 niet langer in Nederland woonde en verklaarde de brutering onterecht.
In hoger beroep stelde betrokkene dat zijn dochter tot 24 juni 2014 bij hem verbleef. De Raad concludeerde dat het college onvoldoende feitelijke grondslag had om aan te nemen dat de dochter vanaf 15 juni 2013 niet meer bij betrokkene woonde, mede omdat de IND-besluiten en asielaanvraaggegevens betrekking hadden op een eerdere periode. Hierdoor kon het besluit tot herziening en terugvordering over deze periode niet standhouden.
Voor de periode van 24 juni 2014 tot en met 30 september 2014 was vast dat betrokkene zijn inlichtingenplicht had geschonden, waardoor de terugvordering en brutering terecht waren. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de periode tot 24 juni 2014 betreft, herroept de eerdere besluiten over die periode en draagt het college op een nieuw besluit te nemen over de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan betrokkene vergoed.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand over de periode tot 24 juni 2014 wordt vernietigd, over de periode daarna bevestigd met bruto terugvordering.