Uitspraak
16.3307 PW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende een aanvraag in voor bijstand na het beëindigen van zijn onderneming per 1 januari 2014. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde de bijstand omdat appellant niet voldoende financiële gegevens verstrekte, zoals bankafschriften, uitschrijving Kamer van Koophandel en jaarstukken van zijn bedrijf.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij appellant ligt en dat hij niet voldeed aan de inlichtingenplicht. Essentiële stukken ontbraken, waardoor niet kon worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand.
De verklaring van een derde over financiële hulp en de stelling dat appellant leefde van de opbrengst van de inventaris waren onvoldoende concreet en verifieerbaar. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen wegens onvoldoende verstrekking van financiële gegevens.