Uitspraak
30 november 2015, 15/1153, 15/1156 en 15/1158 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was als zelfstandig advocaat werkzaam en had over de jaren 2008, 2009 en 2010 inkomsten, maar betaalde de verschuldigde AOW-premies niet. Hij stelde dat zijn langdurige ziekte en verslavingsproblematiek hem belemmerden om te werken en de premies te voldoen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verklaarde hem voor 100% schuldig nalatig op grond van artikel 61 Wfsv Pro.
De rechtbank Amsterdam wees het bezwaar van appellant af omdat hij geen bewijsstukken had overgelegd ter onderbouwing van zijn situatie. Ook in hoger beroep heeft appellant geen concrete stukken aangeleverd, ondanks herhaalde verzoeken en de mogelijkheid daartoe. Zijn verzoek om aanhouding werd afgewezen omdat het niet geconcretiseerd was en er al anderhalf jaar was verstreken zonder bewijs.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bewijslast bij appellant ligt om aan te tonen dat het niet betalen van de premies hem niet kan worden toegerekend. Omdat appellant geen gegevens heeft overgelegd die zijn financiële positie of gezondheidssituatie verduidelijken, is de schuldig nalatigverklaring terecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de schuldig nalatigverklaring van appellant voor het niet betalen van AOW-premies over 2008-2010.