ECLI:NL:CRVB:2017:3857

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 november 2017
Publicatiedatum
7 november 2017
Zaaknummer
17/5478 PW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. Bel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 24 Participatiewet
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken materiële connexiteit bij verlaging AIO-aanvulling

Verzoeker ontvangt sinds 2009 een AOW-pensioen en ontving tot 2015 een toeslag voor zijn in Marokko wonende echtgenote. Vanaf september 2015 ontving hij een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) op grond van de Participatiewet. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft bij besluit van juni 2016 de AIO-aanvulling verlaagd naar 50% van het minimumloon, omdat de echtgenote geen recht had op algemene bijstand.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze verlaging ongegrond. Verzoeker stelde in hoger beroep dat hij duurzaam gescheiden leeft en verzocht om een voorlopige voorziening om een ongehuwdenpensioen te verkrijgen. De voorzieningenrechter beoordeelde dat een voorlopige voorziening alleen kan worden verleend indien er formele en materiële connexiteit is tussen het verzoek en het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek niet voldoet aan het materiële connexiteitsvereiste omdat het geschil in de bodemprocedure alleen betrekking heeft op de verlaging van de AIO-aanvulling en niet op de hoogte van het AOW-pensioen. Het verzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van materiële connexiteit.

Uitspraak

17/5478 PW-VV
Datum uitspraak: 7 november 2017
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. M.E. van Waart, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2017, 16/3986 (aangevallen uitspraak) en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Desgevraagd heeft verzoeker een nadere reactie ingezonden.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Verzoeker ontvangt sinds 1 juli 2009 een gehuwdenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW-pensioen). Gedurende de periode van 1 juli 2009 tot 1 oktober 2015 ontving verzoeker een toeslag op zijn AOW-pensioen voor zijn - in Marokko wonende - echtgenote. Deze toeslag is beëindigd in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de echtgenote. Met ingang van 7 september 2015 ontving verzoeker in verband met een onvolledig ouderdomspensioen een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Bij besluit van 1 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 juli 2016 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant met ingang van 1 juli 2016 verlaagd naar het normbedrag van 50% van het minimumloon. Op dit bedrag wordt het AOW-pensioen en eventuele andere inkomsten van verzoeker in mindering gebracht. Aan deze verlaging heeft de Svb onder verwijzing naar artikel 24 van Pro de PW, zoals dit artikel sinds 1 januari 2016 luidt, ten grondslag gelegd dat de echtgenote van verzoeker geen recht op algemene bijstand heeft, zodat voor verzoeker een normbedrag van 50% van het netto minimumloon geldt.
1.3.
Nadien heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van 7 september 2015 ingetrokken. De intrekking van de AIO-aanvulling maakt geen onderdeel uit van onderhavig geding.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote en als alleenstaande dient te worden aangemerkt. Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt tot de verlening van een ongehuwdenpensioen ingevolge de AOW.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81, van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Uit de functie van artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), maar wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit).
4.3.
In dit geval voldoet het verzoek om een voorlopige voorziening niet aan het materiële connexiteitsvereiste. Zoals onder 1.2 is vermeld, ziet het geschil in de bodemprocedure alleen op besluitvorming van de Svb inzake de verlaging van de AIO-aanvulling en niet op besluitvorming over de hoogte van het AOW-pensioen. Anders dan verzoeker heeft betoogd, maakt het enkele feit dat in de bezwaar- en beroepsprocedure de vraag aan de orde is geweest of verzoeker duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote, niet dat de hoogte van het AOW-pensioen onderdeel uitmaakt van het geschil in de onderhavige bodemprocedure.
4.4.
Het verzoek is, gelet op 4.2 en 4.3, kennelijk niet-ontvankelijk, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2017.
(getekend) W. Bel
(getekend) R.B.E. van Nimwegen

HD