ECLI:NL:CRVB:2017:3808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering herleving WW-uitkering wegens overschrijding aanvraagtermijn
Appellant werd in 2002 in aanmerking gebracht voor een kortdurende WW-uitkering, die werd onderbroken door een ziekmelding en de toekenning van een Ziektewetuitkering. Na beëindiging van de ZW-uitkering in februari 2003 verzocht appellant in 2013 om herleving van de WW-uitkering met terugwerkende kracht. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde dit omdat de aanvraag niet binnen de wettelijke termijn van 26 weken was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat geen sprake was van een bijzonder geval dat een latere aanvraag zou rechtvaardigen. In hoger beroep voerde appellant aan dat onbekendheid met regelgeving, gebrek aan informatie van het Uwv en medicatie hem verhinderden tijdig te handelen. Ook stelde hij dat de periode van werkzaamheden de looptijd van de WW-uitkering onderbrak.
De Raad oordeelde dat de wettelijke bepalingen duidelijk zijn en dat de werkzaamheden en ziekteperiode correct zijn meegewogen. De maximale duur van de WW-uitkering was bereikt, en op het moment van herstel bestond geen recht meer op herleving. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van herleving van de WW-uitkering bevestigd.