Uitspraak
.
OVERWEGINGEN
.Bij besluit van 20 juli 2015, gehandhaafd bij besluit van
Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een voormalig dienstplichtig militair die tussen 1961 en 1962 diende en werd uitgezonden naar Nederlands-Nieuw-Guinea, leed aan gehoorverlies en verzocht de minister van Defensie om een financiële tegemoetkoming voor hoortoestellen. De minister wees dit verzoek af wegens het ontbreken van een causaal verband tussen de gehoorschade en de militaire dienst.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek voldoende onderbouwing bood voor het standpunt van de minister. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel bevestigd. De Raad concludeerde dat het gehoorverlies waarschijnlijk een endogene oorzaak heeft en dat lawaaibeschadiging tijdens de militaire dienst niet aannemelijk is.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was, waarbij diverse medische rapporten en audiogrammen werden betrokken. De door appellant aangevoerde bezwaren en aanvullende stukken boden geen nieuwe inzichten over de oorzaak of ernst van de gehoorbeperkingen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de financiële tegemoetkoming voor hoortoestellen wordt bevestigd.