Uitspraak
13 mei 2015, 14/11466 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 25 januari 2011 bijstand op grond van de WWB. Uit onderzoek bleek dat zij meerdere en/of-rekeningen bij Rabobank en ABN AMRO op haar naam had staan, waarvan het college vond dat zij daarover kon beschikken. Het college trok daarom de bijstand met ingang van 1 maart 2014 in en vorderde de ontvangen bijstand terug over de periode van 25 januari 2011 tot 1 maart 2014.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit, dat bij besluit van 10 november 2014 werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij niet over de tegoeden kon beschikken omdat de rekeningen feitelijk van anderen waren en zij geen bankpas bezat.
De Raad oordeelde dat het op naam staan van de rekeningen de veronderstelling rechtvaardigt dat zij over de tegoeden kon beschikken. Appellante slaagde er niet in dit te weerleggen met objectief bewijs. De verklaringen van derden waren onvoldoende en de afschrijvingen van de rekening van S waren onduidelijk. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand aan appellante wegens niet gemelde en/of-rekeningen wordt bevestigd.