ECLI:NL:CRVB:2017:3036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over weigering dwangsom bij niet tijdig beslissen WWB-aanvraag
Appellante diende op 10 juni 2014 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde zij het college tweemaal in gebreke, waarvan de tweede ingebrekestelling per e-mail werd verzonden. Het college weigerde een dwangsom toe te kennen, omdat de beslistermijn nog niet was verstreken bij de eerste ingebrekestelling en de tweede ingebrekestelling niet op de juiste wijze was gedaan.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het college ongegrond, waarbij zij geen rekening hield met de tweede ingebrekestelling. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte de tweede ingebrekestelling buiten beschouwing had gelaten en dat het college daardoor een dwangsom verschuldigd was wegens overschrijding van de beslistermijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bestuursrechter het bestreden besluit niet mag uitbreiden met een later besluit waartegen geen rechtsmiddelen zijn ingesteld, conform artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank had dit terecht niet gedaan. Ook was de tweede ingebrekestelling per e-mail niet ontvankelijk omdat het college deze elektronische wijze niet had opengesteld. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het college geen dwangsom verschuldigd is en wijst het hoger beroep af.