Uitspraak
16 5178 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
.
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving in juni 2013 een erfenis van €107.882,94 en nam daarvan €36.000,- contant op. In juli 2013 meldde hij dat hij geen bijstand meer wenste te ontvangen, maar in juli 2015 vroeg hij opnieuw bijstand aan. Het college wees deze aanvraag af omdat appellant niet duidelijk had gemaakt hoe hij het contante bedrag had besteed.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zijn uitgaven had verantwoord met een overzicht en medewerking aan een huisbezoek, maar hij kon geen bonnen overleggen. Hij stelde dat het college hem vooraf niet had geïnformeerd over de bewijsverplichtingen.
De Raad oordeelde dat de bewijslast bij appellant ligt en dat het college niet verplicht was hem vooraf te informeren over de bewijsvoering. Appellant had onvoldoende objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt over de besteding van het geld. Daarom was het college terecht tot afwijzing overgegaan. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege onvoldoende duidelijkheid over de besteding van het contant opgenomen erfenisbedrag.