Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Bij besluit van 19 september 2014 heeft het college appellante met ingang van 1 augustus 2014 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, sinds 2014 alleenstaand na echtscheiding, vroeg bijstand aan op basis van de WWB. Zij verklaarde tot dan toe van het inkomen van haar ex-partner te hebben geleefd en geen leningen te hebben. Het college kende een voorschot toe, maar wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid.
Appellante stelde dat zij geleefd had van geleende bedragen van haar ex-partner en dat zij gebruik mocht maken van diens bankpas, hetgeen zij zou terugbetalen. De Raad oordeelde echter dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij in de relevante perioden daadwerkelijk bijstandbehoevend was, mede omdat zij na april 2014 nog gebruik maakte van de bankpas en het huurcontract en vaste lasten door haar ex-partner werden betaald.
De rechtbank en de Raad verwierpen het verweer dat sprake was van leningen, mede vanwege tegenstrijdigheden in de verklaringen en het ontbreken van bewijs. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandbehoevendheid.