ECLI:NL:CRVB:2017:2369

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2017
Publicatiedatum
11 juli 2017
Zaaknummer
16/433 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A. Stehouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet betalen griffierecht en niet doorgeven adreswijziging

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet betalen van het griffierecht van €124,-. Appellant deed vervolgens verzet tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting stelde appellant dat hij de aanmaningsbrieven niet had ontvangen omdat deze naar een oud adres waren gestuurd, terwijl hij al sinds 23 juli 2015 op een nieuw adres stond ingeschreven. Echter, in het hoger beroepschrift had appellant nog het oude adres vermeld en had hij daarna geen adreswijziging aan de Raad doorgegeven. Hierdoor zijn de brieven terecht naar het oude adres gestuurd.

De Raad oordeelde dat het niet ontvangen van de brieven en het daardoor niet kunnen indienen van een verzoek tot betalingsonmacht voor rekening en risico van appellant komt. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet betalen van griffierecht en niet doorgeven van adreswijziging.

Uitspraak

Datum uitspraak: 11 juli 2017
16/433 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Den Haag van 3 december 2015, 14/10939 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 6 september 2016 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep van 14 januari 2016 tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 26 juni 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 6 september 2016 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht van € 124,- niet is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Zoals in de uitspraak van 6 september 2016 is overwogen is appellant bij brieven van
11 februari 2016 en 14 maart 2016 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht. Daarbij is appellant meegedeeld dat, indien hij meent het griffierecht niet te kunnen betalen, hij een beroep kan doen op betalingsonmacht en dat hij dit verzoek voor het einde van de betalingstermijn bij de Raad moet indienen. Door appellant is geen beroep gedaan op betalingsonmacht.
Eerst ter zitting heeft appellant gesteld dat hij de brieven van 11 februari 2016 en 14 maart 2016 niet heeft ontvangen nu deze zijn verzonden naar het adres [adres 1]
, terwijl hij vanaf 23 juli 2015 ingeschreven stond op het adres [adres 2] . In het op 14 januari 2016 door de Raad ontvangen hoger beroepschrift heeft appellant echter als adres de [adres 1] vermeld. Nadien heeft appellant geen adreswijziging aan de Raad doorgegeven. De betreffende brieven zijn dan ook naar het bij de Raad bekende adres verzonden. Dat appellant, naar hij heeft gesteld, als gevolg hiervan geen beroep heeft kunnen doen op betalingsonmacht, komt voor zijn rekening en risico. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.
(getekend) A. Stehouwer
(getekend) J.M.M. van Dalen

HD