Uitspraak
16.5076 PW, 16/8104 PW
Bij brief van 18 april 2017 heeft appellante op dat nadere stuk gereageerd.
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 november 2016 gegrond en vernietigt dat
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar ex-echtgenoot ontvingen bijstand volgens de norm voor gehuwden, ondanks hun echtscheiding op 1 augustus 2014. Het college trok de bijstand in over de periode 9 april 2014 tot 11 september 2014 wegens vermeende niet-naleving van de inlichtingenverplichting over de werkzaamheden van de ex-echtgenoot. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij onverwijld melding had gemaakt van de activiteiten van haar ex-echtgenoot, ondersteund door een gesprek op 27 augustus 2014 met een klantmanager en maatschappelijk werker. De Raad concludeerde dat appellante aannemelijk had gemaakt dat zij tijdig had gemeld en dat de intrekking daarom onterecht was.
De Raad oordeelde dat de bijstand ook na de scheiding als gezinsuitkering werd beschouwd en dat de inlichtingenplicht bleef gelden. Het college had niet voldoende bewijs geleverd voor een andere grondslag van terugvordering. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de bestreden besluiten werden vernietigd en het college werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd.