ECLI:NL:CRVB:2017:209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV stelde bij besluit van 8 september 2014 vast dat hij vanaf 23 oktober 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard, waarbij werd verwezen naar de rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsartsen een afgewogen oordeel hadden gegeven, waarbij alle lichamelijke en psychische klachten waren meegewogen. De belastbaarheid van de voorgelegde functies paste binnen de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), en de arbeidsdeskundigen motiveerden waarom deze functies geschikt waren ondanks signaleringen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over beperkingen, maar bracht geen nieuwe medische stukken in. De Raad onderschreef de eerdere overwegingen en concludeerde dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de FML en het oordeel van de verzekeringsartsen. De geselecteerde functies zijn passend en het hoger beroep wordt verworpen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de voorgelegde functies passend zijn.