Uitspraak
21 augustus 2015, 15/1766 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant is sinds 1998 bekend bij het UWV vanwege lichamelijke en psychische klachten en heeft meerdere beoordelingen ondergaan in het kader van de Wet WIA. In 2010 stelde het UWV vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering omdat zijn verdiencapaciteit met minder dan 35% was verminderd. Dit besluit werd bevestigd in bezwaar, beroep en hoger beroep.
In 2014 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid, waarop een nieuw medisch onderzoek volgde. De verzekeringsarts concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling in 2009. Het UWV besloot opnieuw dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen wel waren toegenomen en dat hij vanwege verstandelijke beperkingen en begeleidingsbehoefte niet zelfstandig behandeld kon worden. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de aangeleverde medische stukken onvoldoende aanleiding gaven om het standpunt van het UWV te wijzigen. De enkele verklaring van de huisarts werd onvoldoende onderbouwd geacht.
De Raad concludeert dat er geen toename van arbeidsongeschiktheid is en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid sinds 2009.