ECLI:NL:CRVB:2017:1953
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking bijstand wegens samenwonen
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok de bijstand van verzoekster in per 20 januari 2016 omdat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot en daardoor geen zelfstandig recht op bijstand had. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Verzoekster ging in hoger beroep en vroeg tevens een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed en een actueel belang. Verzoekster stelde dat zij in een benarde financiële positie verkeerde en vreest voor toenemende schulden, ondanks een betalingsregeling voor haar huurachterstand.
De Raad stelde vast dat de intrekking betrekking had op een afgesloten periode en dat verzoekster sinds 3 juni 2016 de bijstandsnorm ontvangt. Er was geen bewijs van een actueel spoedeisend belang, noch van andere bedreigende schulden. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van actueel spoedeisend belang.