ECLI:NL:CRVB:2017:187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Geen dwangsom bij tijdige beslissing na ingebrekestelling bijzondere bijstand
Appellant, een bijstandsgerechtigde, had bijzondere bijstand aangevraagd voor griffierecht en stelde het college van burgemeester en wethouders van Medemblik in gebreke vanwege het uitblijven van een besluit. Nadat het college alsnog binnen twee weken na de ingebrekestelling een besluit nam, stelde appellant beroep in tegen het niet tijdig beslissen en tegen het besluit dat geen dwangsom werd toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat appellant niet voldeed aan de vereisten van artikel 6:12 Awb Pro en oordeelde dat het beroep tegen het besluit over de dwangsom ongegrond was, aangezien het college tijdig had beslist. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, stellende dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde en dat het algemene betoog over structurele vertraging niet tot een ander oordeel kon leiden.
De Raad concludeerde dat het college binnen de wettelijke termijn had gehandeld en dat er geen reden was voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen dwangsom verschuldigd is omdat het college binnen twee weken na ingebrekestelling een besluit nam.