ECLI:NL:CRVB:2017:1550
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand wegens ontbreken woonplaats in gemeente
Appellant vroeg bijstand aan de gemeente op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 25 maart 2014. Hoewel hij zich meldde en een aanvraag indiende, stond hij per 9 april 2014 ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) op een ander adres in een andere gemeente, waar hij ook een woning huurde. Tijdens een gesprek gaf appellant aan zijn woning op dat adres op te knappen en tijdelijk bij familie te verblijven.
Het college kende bijstand toe voor de periode van 25 maart tot 9 april 2014, maar wees het verzoek voor de periode van 9 april tot 2 juni 2014 af omdat appellant zijn woonstede in die periode in de andere gemeente had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel woonplaats had in de gemeente die bijstand verleende en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Raad oordeelde dat inschrijving in de BRP niet doorslaggevend is, maar dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn woonstede in de gemeente was. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant heeft geen recht op bijstand over de betwiste periode.