ECLI:NL:CRVB:2017:1519
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen belanghebbende bij terugvordering bijstand ex-partner
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Best waarin een terugvordering van bijstand aan zijn ex-partner werd vastgesteld. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant geen belanghebbende was volgens artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het bezwaar te laat was ingediend.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat appellant slechts een afgeleid belang had dat niet rechtstreeks bij het besluit was betrokken. De terugvordering was immers gericht op de ex-partner en niet op appellant zelf.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk belanghebbende was omdat de civiele rechter had bepaald dat hij de helft van het teruggevorderde bedrag moest betalen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit afgeleide belang niet voldoende is om als belanghebbende in de zin van de Awb te worden aangemerkt en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter W.H. Bel en griffier W.A.M. Ebbinge op 4 april 2017.
Uitkomst: Appellant is geen belanghebbende bij de terugvordering van bijstand aan zijn ex-partner; het hoger beroep wordt afgewezen.