ECLI:NL:CRVB:2017:1497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2017
Publicatiedatum
19 april 2017
Zaaknummer
16/1268 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken gronden tegen UWV-besluit korting WW-uitkering

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank die haar beroep tegen een besluit van het UWV niet-ontvankelijk verklaarde. Het UWV had geweigerd de korting op haar WW-uitkering ongedaan te maken over de periode van juni 2013 tot november 2014. De rechtbank stelde vast dat het beroepschrift geen gronden bevatte en dat de door de rechtbank gegeven termijn voor herstel van dit verzuim ongebruikt was verstreken. Hierdoor was sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de gronden niet had aangeleverd vanwege meerdere lopende procedures en persoonlijke omstandigheden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante wist dat zij gronden moest indienen en dat het niet indienen hiervan niet verschoonbaar was. De Raad bevestigde de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank en verwierp het hoger beroep.

De Raad concludeerde dat het beroep niet slaagt en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door C.C.W. Lange, in aanwezigheid van griffier M.S.E.S. Umans.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet herstellen van dit verzuim binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

16/1268 WW
Datum uitspraak: 19 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank
Midden-Nederland van 27 januari 2016, 15/5796 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot] als gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft het Uwv geweigerd om de korting op de uitkering op grond van de Werkloosheidswet van appellante over de periode van 24 juni 2013 tot
24 november 2014 ongedaan te maken.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 3 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroepschrift van 10 november 2015 geen gronden bevat, dat de bij brief van 11 november 2015 door de rechtbank gegeven termijn voor herstel van het verzuim ongebruikt is verstreken en dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De rechtbank heeft in hetgeen appellante ter zitting van de rechtbank heeft aangevoerd als reden voor het niet indienen van de gronden van beroep geen grond gezien om in dit geval van een niet-ontvankelijkheid van het beroep af te zien. Duidelijk is dat appellante wist dat zij gronden moest indienen. Zij heeft bij haar beroep ook vermeld dat zij dit binnen vier weken digitaal zou doen. Bovendien heeft zij tegen een ander besluit van het Uwv op verzoek van de rechtbank wel gronden van beroep ingediend. Dat de situatie van appellante zodanig was dat het niet indienen van de gronden van beroep verschoonbaar moet worden geacht, is de rechtbank niet gebleken.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat tot haar ontsteltenis de gronden van haar beroep niet door haar zijn aangeleverd. Dit wegens de samenloop met meerdere procedures tegen het Uwv, de Sociale Verzekeringsbank en de Belastingdienst, die zij en haar echtgenoot aan het voeren zijn. Appellante verwijst naar haar omstandigheden van de afgelopen jaren, zoals verwoord in haar brief van 9 februari 2016 aan de staatssecretaris van Financiën en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient een beroepschrift ten minste de gronden van beroep te bevatten. Op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb kan het beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.2.
De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat zij in beroep ter zitting van de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd, waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) M.S.E.S. Umans

NW