ECLI:NL:CRVB:2017:1020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- H.C.P. Venema
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet aannemelijk
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en werd geconfronteerd met een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand nadat een anonieme melding leidde tot een onderzoek naar vermeende gezamenlijke huishouding met een partner. Het college stelde dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden, wat leidde tot intrekking van de bijstand en oplegging van een boete.
De Raad beoordeelde of het college aannemelijk had gemaakt dat de partner zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, een vereiste voor het voeren van een gezamenlijke huishouding. Uit het dossieronderzoek, huisbezoek en verklaringen bleek onvoldoende bewijs dat de partner zijn hoofdverblijf had op het adres. De aanwezigheid van de partner werd verklaard door zorg voor appellante en haar kinderen na de bevalling.
De Raad vernietigde het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht en herroept het besluit. Tevens vernietigde de Raad het boetebesluit omdat dit op dezelfde onjuiste feitelijke grondslag was gebaseerd. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand en het boetebesluit worden vernietigd en herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.