ECLI:NL:CRVB:2017:1017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na opschorting wegens verzuim en onvoldoende medewerking
Appellant ontving sinds 1999 bijstand en werd na een rechtmatigheidsonderzoek uitgenodigd voor gesprekken op 30 maart en 2 april 2015, waarvoor hij niet is verschenen. Het college schortte de bijstand op en trok deze per 30 maart 2015 in wegens onvoldoende medewerking en verzuim.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep stelde dat acht dagen opschorting te kort was voor een zorgvuldige voorbereiding en dat het college alsnog het recht op bijstand had moeten vaststellen na het overleggen van stukken in bezwaar.
De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar heeft verzuimd de gevraagde bankafschriften te overleggen en niet is verschenen op de gesprekken. Het college was bevoegd om binnen acht dagen na opschorting de bijstand in te trekken. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Er was geen sprake van onzorgvuldigheid of disproportionele belangenafweging door het college. Ook werden tijdens de bezwaarfase overgelegde stukken niet relevant geacht omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij deze niet eerder kon overleggen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 30 maart 2015 wordt bevestigd wegens verwijtbaar verzuim en onvoldoende medewerking van appellant.