ECLI:NL:CRVB:2016:966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een WIA-uitkering, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde bij besluit van 10 december 2013 vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht op uitkering had. Het bezwaar van appellant werd bij besluit van 4 juni 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) correct was vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat hij ernstiger beperkingen had dan door de verzekeringsartsen was aangenomen, met name klachten aan zijn linkerenkel en beperkingen bij knielen, hurken en traplopen. Hij verzocht tevens om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en volledig was, dat alle relevante klachten waren betrokken bij de beoordeling en dat de FML juist was vastgesteld. Er waren geen medische stukken overgelegd die een ernstiger beperking onderbouwden, waardoor geen aanleiding bestond voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.
De Raad concludeerde dat appellant in staat was de geselecteerde functies te vervullen en dat de signaleringen over mogelijke overschrijding van belastbaarheid toereikend waren gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.