Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen sinds februari 2012 bijstand op grond van de WWB en hadden bij de aanvraag twee auto's opgegeven. Na een signaal over mogelijke bedrijfsmatige activiteiten werd onderzoek verricht waaruit bleek dat appellanten in werkelijkheid zes voertuigen op hun naam hadden staan, waarvan zij er vier de gehele periode en twee gedeeltelijk bezaten.
Het college trok de bijstand met ingang van februari 2012 in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode tot maart 2013. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, omdat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden door het bezit van meerdere voertuigen niet te melden.
Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken dat de voertuigen een lagere waarde hadden dan de vrij te laten vermogensgrens. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen werd verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing. De Raad concludeerde dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en bevestigde de intrekking en terugvordering.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde voertuigen wordt bevestigd.