ECLI:NL:CRVB:2016:880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand sinds januari 2010 en stond onder bewindvoering sinds november 2011. In mei 2013 meldde de bewindvoerder dat appellant naast bijstand ook inkomsten uit arbeid had, gebaseerd op een loonstrook van oktober 2012. Het college verzocht appellant om nadere informatie, waaronder arbeidscontract en bankafschriften, maar appellant voldeed hier niet aan.
Het college schortte de bijstand op en trok deze in per 1 mei 2013, met terugvordering van de bijstandskosten vanaf oktober 2012 tot april 2013 wegens schending van de inlichtingenverplichting. Appellant diende bezwaarschriften in die buiten de termijn waren ingediend en werden niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet in dienst was geweest en dat de terugvordering onterecht was. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde en dat het college terecht mocht uitgaan van de loonstrook. Ook het argument dat Suwinet geen dienstverband toonde, werd verworpen omdat Suwinet niet altijd volledig is.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het bezwaarschrift te laat en niet-ontvankelijk en oordeelde dat de inlichtingenverplichting was geschonden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting worden bevestigd en het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard.