Uitspraak
20 augustus 2014, 14/1136 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in Marokko, heeft meerdere keren een aanvraag om kinderbijslag ingediend. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft de aanvraag afgewezen dan wel het recht op kinderbijslag beperkt toegekend met terugwerkende kracht van maximaal één jaar voorafgaand aan de aanvraag, conform artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij werd overwogen dat appellant niet als ingezetene kan worden aangemerkt en dat het recht op kinderbijslag slechts maximaal één jaar terug kan worden toegekend, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Appellant stelde in hoger beroep dat vanwege zijn ziekte, gebrek aan scholing en gebrekkige kennis van het Nederlands een ruimere terugwerkende kracht zou moeten gelden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Svb terecht geen bijzonder geval heeft aangenomen, omdat appellant zijn aanvraag twee jaar na een jurisprudentiële omslag heeft ingediend en de aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat hiervan afgeweken moet worden. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugwerkende kracht van kinderbijslag wordt beperkt tot één jaar voorafgaand aan de aanvraag.