ECLI:NL:CRVB:2016:849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek Wubo-uitkering wegens ontbreken oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1946 in het toenmalig Nederlands-Indië, vroeg in 2000 een Wubo-uitkering aan, welke werd afgewezen omdat niet was vastgesteld dat zij persoonlijk door oorlogsgeweld was getroffen. Na een eerdere afwijzing en een ongegrond verklaard beroep, verzocht zij in 2014 om herziening van deze beslissing.
De Raad beoordeelde of er nieuwe feiten of gegevens waren die aanleiding konden geven tot herziening. Appellante overlegde een verklaring van haar zuster over de onveilige situatie in Pontianak, maar deze toonde geen directe persoonlijke betrokkenheid bij oorlogsgeweld aan. Ook waren er geen gegevens van het NIOD over geweldsuitbarstingen in de relevante periode.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de oorlogsomstandigheden van appellante verschilden van die van haar broer en zuster, die wel een uitkering ontvingen. De Raad concludeerde dat het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan, standhoudt en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van bewijs van persoonlijk oorlogsgeweld.