Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:769

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2016
Publicatiedatum
4 maart 2016
Zaaknummer
14/6555 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische beoordeling juist was. Daarbij werd rekening gehouden met medicatiegebruik en de bijbehorende beperkingen.

In hoger beroep voerde appellant aan dat er onvoldoende rekening was gehouden met beperkingen aan knieën en rug, en dat de bijwerkingen van medicatie concentratieproblemen veroorzaken, waardoor de voorgehouden functies niet geschikt zouden zijn. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de eerdere bevindingen dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren gemotiveerd. De concentratiebeperkingen werden niet bevestigd in de Functionele Mogelijkhedenlijst.

Het hoger beroep slaagt daarom niet en de Raad bevestigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

14/6555 WIA
Datum uitspraak: 4 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
20 oktober 2014, 14/4478 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft, op verzoek van de Raad, een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Appellant is niet verschenen, na bericht van niet verschijnen. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 9 oktober 2013 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van 22 oktober 2013 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de
Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 29 april 2014 (bestreden besluit).
1.2.
Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich een oordeel gevormd over de belastbaarheid van appellant voor arbeid op basis van verkregen informatie van de huisarts en orthopedisch chirurg in combinatie met zijn eigen onderzoeksbevindingen. Met de bijwerkingen van de medicatie is rekening gehouden door in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een beperking op te nemen ten aanzien van persoonlijk risico. De rechtbank heeft verder overwogen dat door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende is gemotiveerd dat de voorgehouden functies van wikkelaar, productiemedewerker industrie en machinebediende geschikt zijn te achten voor appellant.
2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van zijn knieën en rug. Aan de rug is sprake van een duidelijke afwijking, namelijk een zwelling, waarmee onvoldoende rekening is gehouden. Wegens bijwerkingen van de medicatie heeft appellant moeite met de concentratie. De voorgehouden functies zijn dan ook niet geschikt omdat hiervoor meer concentratie nodig is dan van appellant kan worden gevergd.
3.1.
De Raad komt tot de volgende overwegingen.
3.2.
Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. De overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven. Met het medicatiegebruik van appellant is rekening gehouden door de verzekeringsartsen met de beperking voor eigen risico op item 1.9.9 van de FML. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij rapport van 17 april 2014 overtuigend gemotiveerd dat voor meer beperkingen geen noodzaak is. Nu in hoger beroep geen nadere medische onderbouwing is ingediend die twijfel oproept aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen, slaagt het hoger beroep niet op dit punt.
3.3.
Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de geschiktheid van de voorgehouden functies afdoende is gemotiveerd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapport van
28 april 2014. De door appellant aangevoerde grond dat deze functies niet geschikt zijn vanwege de bijwerkingen van de medicatie slaagt niet, gelet op het onder 3.2 overwogene.
In de FML is geen beperking aangenomen wat betreft de concentratie.
3.4.
Gelet op overwegingen 3.1 en 3.2 slaagt het hoger beroep niet.
3.5.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries, in tegenwoordigheid van
L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
4 maart 2016.
(getekend) G. van Zeben-de Vries
(getekend) L.H.J. van Haarlem
JvC