Uitspraak
19 december 2014, 14/3146 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg op 13 januari 2014 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde de aanvraag omdat de financiële situatie van appellant onduidelijk was. Appellant had verklaard te leven van contante betalingen voor advieswerk aan mensen uit Polen, Rusland en Bulgarije, maar kon dit niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant onvoldoende duidelijkheid had gegeven over de aard en herkomst van de op zijn bankrekening gestorte bedragen en niet aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag. De medische gegevens waren niet doorslaggevend voor de beoordeling van bijstandbehoevendheid.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij met zijn verklaringen, bankafschriften en medisch dossier voldoende duidelijkheid had gegeven. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en bevestigde de afwijzing van de bijstandsaanvraag. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van bijstandbehoevendheid.