ECLI:NL:CRVB:2016:68
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na intrekking wegens schending inlichtingenplicht
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand van augustus 2010 tot januari 2013. Het college trok de bijstand over de periode tot december 2012 in wegens schending van de inlichtingenplicht. Tegen dit besluit en het daaropvolgende terugvorderingsbesluit werd bezwaar en beroep ingesteld, maar zonder succes. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het college vorderde terugbetaling van €40.998,43.
In hoger beroep betwist appellant de intrekking en terugvordering, maar de Raad stelt vast dat het intrekkingsbesluit in rechte onaantastbaar is geworden doordat tegen de uitspraak van 21 maart 2014 geen hoger beroep is ingesteld. Hierdoor is het college verplicht de bijstandskosten terug te vorderen volgens artikel 58 WWB Pro.
De Raad oordeelt dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien en dat de financiële gevolgen van terugvordering beschermd worden door beslagvrije voetregels. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten wegens een onaantastbare intrekking.