ECLI:NL:CRVB:2016:597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek bijstand voorafgaande aan aanvraag wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante diende op 1 augustus 2012 een aanvraag in voor bijstand op grond van de WWB, die buiten behandeling werd gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van gegevens. Op 25 oktober 2012 diende zij een nieuwe aanvraag in met een gewenste ingangsdatum van 4 juli 2012. Het bestuur verleende bijstand met ingang van 25 oktober 2012, maar wees het verzoek om terugwerkende kracht af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde aan dat zij wel degelijk haar hoofdverblijf had in de gemeente en dat zij het besluit van 15 oktober 2012 niet had ontvangen, waardoor zij recht zou hebben op terugwerkende bijstand. De Raad oordeelde dat het uitgangspunt is dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Appellante slaagde er niet in bijzondere omstandigheden aan te tonen. Het niet ontvangen van het eerdere besluit en het ontbreken van inkomen of vermogen in de periode voorafgaand aan de aanvraag zijn geen bijzondere omstandigheden. Ook het hoofdverblijf is niet relevant voor deze beoordeling. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.