ECLI:NL:CRVB:2016:5126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant was sinds 1 januari 2009 werkzaam als glaszetter en viel op 28 september 2009 uit. Na de wettelijke wachttijd werd hij in 2011 toegelaten tot een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Het UWV besloot in maart 2013 de uitkering om te zetten in een WGA-vervolguitkering, maar na herbeoordeling en bezwaar stelde het UWV in november 2013 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per januari 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en volgde het advies van een door haar benoemde psychiater die geen psychiatrische stoornis vaststelde. Ook de arbeidsdeskundige had de geschiktheid van alternatieve functies voldoende gemotiveerd. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet in staat was tot arbeid, maar bracht geen nieuwe medische gegevens in.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en consistent was en dat er geen reden was het advies niet te volgen. De arbeidsdeskundige had de geschiktheid van functies adequaat onderbouwd. Het bestreden besluit berustte daarmee op goede gronden. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.