ECLI:NL:CRVB:2016:5058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet overleggen bankafschriften
Appellant ontving sinds maart 2012 bijstand op grond van de WWB. Na een signaal over een politieaanhouding waarbij appellant in bezit was van drugs en contant geld, stelde de gemeente een onderzoek in. Uit Suwinet-gegevens bleek dat appellant beschikte over een ING-bankrekening die niet bekend was bij het college. Het college sommeerde appellant om bankafschriften over een periode van ruim twee jaar te overleggen. Bij besluit werd de bijstand opgeschort en later ingetrokken omdat appellant niet aan dit verzoek voldeed.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hem niet verweten kon worden dat hij de bankafschriften niet tijdig had overgelegd, omdat de rekening was opgeheven en het volgens hem gemiddeld veertien dagen duurt voordat de ING-bank afschriften levert.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet binnen de gestelde termijn over de afschriften kon beschikken. Bovendien had appellant binnen de hersteltermijn om verlenging kunnen verzoeken, maar dit niet gedaan. Daarom was het college bevoegd de bijstand in te trekken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet tijdig overleggen van bankafschriften wordt bevestigd.