ECLI:NL:CRVB:2016:4877

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 december 2016
Publicatiedatum
20 december 2016
Zaaknummer
16/2085 ZVW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, zevende lid, AwbArt. 8:108, eerste lid, Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig indienen van het beroepschrift. Appellant stelde verzet in tegen deze beslissing en voerde aan dat hij door persoonlijke omstandigheden, waaronder het overlijden van een oude schoolvriend en de begrafenis daarvan, niet in staat was het beroepschrift tijdig in te dienen.

De Centrale Raad van Beroep heeft het verzet behandeld en geoordeeld dat de door appellant aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om het termijnverzuim te rechtvaardigen. De Raad achtte dat appellant redelijkerwijs wel in staat was binnen de gestelde termijn het hoger beroep in te dienen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 december 2016.

Uitkomst: Het verzet van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een gegronde reden voor de termijnoverschrijding.

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 december 2016
16/2085 ZVW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Den Haag van 8 februari 2016, 15/7906 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zorginstituut Nederland

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 29 juni 2016 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 22 november 2016, waar appellant is verschenen en Zorginstituut Nederland zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 29 juni 2016 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant wederom aangevoerd dat hij drukke bezigheden had in verband met het overlijden van een oude schoolvriend en de begeleiding van diens vrouw, en dat kort voor het verstrijken van de termijn de begrafenis plaatsvond.
De Raad ziet in de door appellant geschetste omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten. Deze brengen niet mee dat appellant niet in staat is geweest om binnen de termijn hoger beroep in te stellen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van N. Talhaoui als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2016.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) N. Talhaoui

TM