ECLI:NL:CRVB:2016:4856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over medische onderbouwing beperkingen bij WIA-uitkering
Appellant, werkzaam als capaciteitsplanner, meldde zich sinds 2009 ziek vanwege spanningsklachten en epilepsie. Na een operatieve ingreep beëindigde het UWV in 2011 zijn WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar en gaf aan dat zijn gezondheid in 2012 verslechterde. Het UWV handhaafde haar besluiten, waarop appellant beroep instelde bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvolledig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn diagnose Psychogene niet-Epileptische Aanvallen (PNEA) en vermoeidheidsklachten. De Raad benoemde daarom een onafhankelijke neuroloog als deskundige.
De deskundige concludeerde dat appellant op de beoordelingsdata aanzienlijke beperkingen had door complicaties van een hersenoperatie, waaronder urenbeperkingen en aandachtstekorten. Het rapport was zorgvuldig en consistent, en overtuigde de Raad. Het UWV had onvoldoende medische onderbouwing gegeven voor haar besluiten.
De Raad besloot het UWV op te dragen de besluiten binnen zes weken te herzien, waarbij de Functionele Mogelijkhedenlijst moet worden aangepast en de arbeidsdeskundige moet beoordelen welke functies passend zijn en welk verlies aan verdiencapaciteit er is.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen de medische onderbouwing van de besluiten te herzien en de Functionele Mogelijkhedenlijst aan te passen.